Gagea

Gagea gracae Picture Ron Parsons

Gagea is familie van de liliaceae

Populaire naam: Geelster

Bloeiperiode: januari – mei

Bloemkleur: wit, geel, geelgroen

Plantdiepte: 5 cm - Plantafstand: 5 cm - Planthoogte: 10 - 30 cm

Toepassing: borders, potterie, bloembedden, rotstuin, tussen bodembedekkers, verwilderingstuin

NAAM EN HERKOMST GAGEA

Er zijn 217 erkende soorten die voorkomen in Europa en Azië en Noord-Afrika, de meeste in Kazachstan.

In 1753 nam Linnaeus Gagea lutea (bosgeelster) en Gagea minima (spitse geelster) als Ornithogalum luteum en Ornithogalum minimum op in zijn Species plantarum. In 1806 werden een aantal soorten die eerder waren ondergebracht in het geslacht Ornithogalum door Richard Anthony Salisbury in het geslacht Gagea geplaatst. Hij vernoemde de Gagea naar zijn vriend Thomas Gage, een Engelse botanicus.

In Nederland komen een aantal Gagea in het wild voor:

  • Gagea villosa of Akkergeelster
  • Gagea lutea of Bosgeelster
  • Gagea spathacea of Schedegeelster
  • Gagea minima of Spitse geelster
  • Gagea pratensis of Weidegeelster

Door hun groeiwijze en sporadische, vroege en korte bloei is het moeilijk om geelsterren te vinden. Zonder de gele bloemen worden ze met haar slappe grasachtige bladeren vrij snel over het hoofd gezien. Geelsterren zijn gebonden aan het rivierengebied (weidegeelster en akkergeelster) en/of aan een beekdalsysteem (bosgeelster en schedegeelster). In Gelderland komen de meeste geelsterren voor. Uit inventarisaties blijkt dat de populaties van geelsterren het zwaar te verduren hebben en zelfs op veel plekken verdwijnen. Er zijn bijvoorbeeld veel groeiplekken van akkergeelster verdwenen.

De achteruitgang is deels te verklaren doordat geelsterren vaak op plekken groeien die sterk onder invloed staan van menselijke activiteiten. Ze groeien veelal binnen de bebouwde kom en dus vrij weinig in beschermde natuurgebieden. Geelsterren komen voor in grasperkjes, oude akkertjes, begraafplaatsen (dodenakkers), tuinen van landgoederen en kastelen, oeverwallen langs rivieren en wegbermen. Door ongewenst vroeg beheer, overvloedig herbicidegebruik, herinrichting van tuinen of terreinen en door het kappen van oude bomen kan zo'n omgeving verstoord worden. Akkergeelster verdwijnt veelal na het kappen van bomen.

KLEUREN EN VORMEN GAGEA

Ze is verwant aan Ornithogalum maar verschilt door haar kleur. De gele, geelgroene of witte stervormige bloemen zijn tweeslachtig en staan in schermen van 1 tot wel 15 kleine bloemen (± 2 cm). De bloemdekbladeren hebben een afgeronde top, soms een spitse of stompe top. De stengels zijn kaal, van enkele cultivars wollig behaard. Ze heeft alleenstaande, grondstandige bladeren, langwerpig of lijnvormig, bij sommige cultivars aan de voet rood gekleurd. De 2 tot 3 langwerpige stengelbladeren hebben al of niet een behaarde rand.

Het is niet eenvoudig Geelsterren onderling te onderscheiden. De Duitse florakenner Henning Haeupler maakte de volgende determinatietabel:

Gagea lutea – bosgeelster: grondstandig blad 5-10(-12) mm breed meestal vijfkantig. Schutbladen (2) van de bloeiwijze, lancetvormig, zelden met een bol in de oksel. Bloemen 2-7(-10) bijeen. Bloemdekbladen langwerpig, stomp, na de bloei dofgroen en terugrollend. Slechts 1 bol aanwezig. 2

Gagea pratensis – weidegeelster: grondstandig blad 2-5(-7) mm breed, vaak gevouwen tot een v-vorm, bladvoet roodachtig. Schutbladen van de bloeiwijze meestal 2, lijnvormig, de bovenste vaak met een kleine bol in de oksel. Bloemen 1-4(-6) bijeen. Bloemdekbladen lancetvormig, spits of iets stomp, na de bloei blauwgrijsachtig en samen neigend. Behalve de bol waaruit de bloeiende stengel ontstaat, vaak nog 2 bollen aanwezig tijdens de bloei buiten het omhulsel.

Gagea villosa – akkergeelster: grondstandige bladen rood, lijnvormig en gootvormig. Schutblad is tot 4 mm breed en gewimperd. Bloemstelen en buitenzijde van de bloemdekbladen behaard. Bloemen meestal 5-10 (15).

Gagea spathacea – schedegeelster: grondstandige bladeren zijn draadvormig en rond, bladtop is vrij sterk afgeknot. 1 schutblad die de stengel als een schede omvat. Bloemstelen en bloemdekbladen kaal. Bloemen 1-3(5).

Gagea minima – spitse geelster: bloemdekbladeren toegespitst. Bloemen alleenstaand of 2-3 bij elkaar, meestal één grondstandig blad, vlak, 2-3(5) mm breed en aan voet rood aangelopen. 1 schutblad. 2 bollen in gemeenschappelijk omhulsel.

GAGEA KOPEN

Koop in het najaar stevige, gezonde, grote bloembollen die gelijkmatig van vorm zijn. Koop nooit bloembollen die zacht of doorweekt zijn, blauwe of groene schimmel hebben, er bedorven uitzien of uitgedroogd zijn. Deze bollen zijn waarschijnlijk ondeskundig of te lang bewaard. Let ook op de uitlopers, een klein, groen puntje is geen bezwaar. Koop ook geen beschadigde bloembollen want deze zijn gevoelig voor schimmels. Grote bloembollen geven stevige lange stengels en grotere en/of meer bloemen. Meer kooptips.

GAGEA PLANTEN

Plant haar in het najaar in zandige en voedzame grond op matig vochtige en niet te zonnige plaatsen. Ze kan ook in een pot worden geplant, plaats die niet in de volle zon. Meer planttips.

VERZORGING GAGEA

Ze is een makkelijke plant en heeft geen specifieke verzorging nodig. Na het afsterven van de bladeren in de zomer zie je haar niet meer terug. Onthoudt dus goed waar ze is geplant. Meer verzorgingstips.

VERMEERDERING/VERWILDERING GAGEA

Ze vermeerdert door broedbolletjes, soms broedbolletjes in de oksels en zaad. Van de inheemse soorten vermeerdert alleen Gagea lutea, Bosgeelster, door zaad. Aan het zaad zit een mierenbroodje waardoor de mieren de zaden verspreiden. De bolletjes blijven jaren staan. Meer vermeerderingstips.

GAGEA OP DE CATWALK IN HET TUINPALET

In het wild groeit ze vaak samen met Speenkruid (Ficaria verna), Hondsdraf, Klimpereprijs en ruw beemdgras.

CULTIVARS GAGEA

Soorten met een * zijn te koop in Nederland.

Gagea caroli-kochii Picture Oron Peri

Gagea bohemica: (betekent uit Bohemen) wordt gevonden in het Middellandse Zeegebied en Frankrijk en Duitsland waar ze groeit in grasland. Ze heeft 4 kleine gele bloemen, bloeit in januari – april en wordt 2 – 6 cm hoog. Ze heeft een paar gedraaid draadachtige basale bladeren of 2 paar stengelbladeren net onder de bloem. 

Gagea caroli-kochii: is een zeldzame alpiene soort verspreid van Transkaukasië tot Noordwest Iran. Ze heeft 1-2 basale bladeren en een grote solitaire bloem op een korte, 1-2 cm lange bloeisteel. Ze verschijnt kort na het smelten van de sneeuw, mei-juni.

Gagea fibrosa Picture Nora Goosen

Gagea chlorantha: komt voor in het oostelijke Middellandse Zeegebied tot in Iran, Irak en in noordelijke richting tot in Zuid-Turkmenistan. Ze is een kleine slanke soort met ronde bloemblaadjes, groeiend in verschillende habitats, vaak in grote aantallen, bloeiend in februari-maart. 

Gagea fibrosa: is zeer wijd verspreid in het oostelijke Middellandse Zeegebied tot in de Kaukasus. De soortnaam komt van de dichte mat van vezels rond de tros van kleine bollen. Ze is gemakkelijk te kweken uit zaad en bloeit in 3 jaar. De bloemen sluiten zich bij weinig licht.

Gagea filiformis Picture Oron Peri

Gagea filiformis: is gemakkelijk te herkennen aan zijn gekrulde uiterlijk. Ze heeft een solitair, smal, basaal blad en een opvallend bloemblad dat even lang is als of langer dan de bloemen, die 3-7 in aantal zijn. Ze groeit verspreid van Kazachstan tot Mongolië en Pakistan in lichte bossen, vaak onder naaldbomen en heeft ze de neiging kleine groepjes te vormen.

Gagea glacialis: is een alpiene soort, die in vochtige weiden groeit, verspreid van noordwest Turkije tot de Kaukasus. Ze heeft twee ongelijke basale bladeren; vaak verschijnt ze in grote aantallen bij smeltende sneeuw.

Gagea lutea Picture www.stridvall.se

Gagea graeca: is een van de witbloemige soorten.

Gagea lutea: (lutea betekent geel) wordt ook bosgeelster genoemd, wordt 10-30 cm hoog en is ze wijdverspreid in bossen en weiden in Europa. De gele/geelgroene stervormige bloemen staan schermvormig met twee tot tien bij elkaar. De bloemdekbladen hebben een afgeronde top. De alleenstaande, grondstandige meestal geelgroene bladeren zijn langwerpig tot lijnvormig. De twee langwerpige stengelbladen zijn bijna tegenoverstaand. Ze hebben een behaarde rand en soms broedbolletjes in de oksels. In Nederland is Bosgeelster zeldzaam en vrijwel beperkt tot het noordoosten en oosten van het land. Kijk in de verspreidingsatlas waar ze in Nederland in het wild voorkomt.

Gagea minima Picture Simon Melville-naturepix.co.uk

Gagea minima(minima betekent klein) wordt ook spitse geelster genoemd. Ze bloeit in geel in een scherm van 1 tot 6 bloemen in maart-mei en wordt 7-15 cm hoog. Ze is inheems in centraal en Oost-Europa. Ook in Nederland komt ze voor, maar alleen op het terrein van Landgoed Leyduin. Kijk in de verspreidingsatlas waar ze in Nederland in het wild voorkomt.

Gagea minutiflora: is een kleine Centraal-Aziatische alpine soort van ongeveer 5 cm met een solitaire bloem. Ze groeit in rotsachtige gebied.

Gagea pratensis Picture Krzysztof Ziarnek

Gagea pratensis: (pratensis betekent van de weidenwordt ook weidegeelster genoemd, komt voor in Midden- en Zuidoost-Europa en het Oostzeegebied en wordt 10-20 cm hoog. Ze bloeit in maart-april in een scherm van 1 tot 6 gele soms iets groene kleine bloemen. De bloemdekbladen hebben meestal een spitse top. Ze heeft een alleenstaand, grondstandig blad, roodachtig bladvoet. Het blad is breed-lijnvormig en de 2 langwerpige stengelbladeren staan tegenover elkaar. De bladrand is behaard en vaak groeit er een kleine bol in de bladoksel. In Nederland is ze vrij zeldzaam in het rivierengebied, vooral langs de Gelderse IJssel en in het midden van het land en schaars aan de Hollandse binnenduinrand tussen Castricum en Wassenaar en in het oosten van het land. Kijk in de verspreidingsatlas waar ze in Nederland in het wild voorkomt.

Gagea serotina Picture www.stridvall.se

Gagea serotina: (serotina betekent laat, de bloei) komt uit Noord- en Midden-Europa, Kaukasus, Siberië en Noord-Amerika, wordt 8-20 cm hoog en is in 1789 beschreven. Ze heeft opstaande bloemen met witte bloemdekbladeren, stomp met een geelachtige voet. De 3-4 bladeren zijn wortelstandig en grasachtig, smal lijnvormig met opgerolde randen.
In het verleden werd ze Lloydia serotine genoemd, naar Edward Lloyd, oudheidkundige en plantenkenner in Wales die haar vond op Snowdon.

Gagea spathacea Picture www.stridvall.se

Gagea spathacea*: (spathacea betekent bloemschedeachtige vorm van de kelk, schutblad) wordt ook schedegeelster genoemd. Ze wordt 10 tot 25 cm hoog, bloeit met 1 tot 3 geelgroene bloemen in april-mei. De bloemdekbladeren zijn stomp en het schutblad vormt om de stengel een schede, vandaar de naam schedegeelster. Ze groeit op tamelijk vochtige en matig voedselrijke grond in loofbossen van het Noordelijk Halfrond. In Nederland is ze zeldzaam en vrijwel beperkt tot Oost-Twente en Noord-Drenthe. Kijk in de verspreidingsatlas waar ze in Nederland in het wild voorkomt.

Gagea villosa Picture Nora Goosen

Gagea villosa: (villosa betekent behaard, viltig) wordt ook akkergeelster genoemd.  Ze komt voor in Midden- en Zuid-Europa, wordt 10-15 cm hoog en bloeit in maart-mei. Ze heeft 3 tot 12 groengele bloemen. De bloemstelen en andere delen van de bloeiwijze zijn wollig behaard. Ze is in het rivierengebied, met name langs de Gelderse IJssel en zeer zeldzaam in het westen van het land en in Zuid-Limburg. Kijk in de verspreidingsatlas waar ze in Nederland in het wild voorkomt.

Gagea gracae Picture Ron Parsons
Gagea commutata Picture Oron Peri
Gagea chlorantha Picture Oron Peri

Meer cultivars: G. absurda, G. afghanica, G. aipetriensis, G. alashanica, G. alberti, G. alexeenkoana, G. alexejana, G. alexii, G. algeriensis, G. alii, G. altaica, G. amblyopetala, G. ancestralis, G. angelae, G. angrenica, G. anisopoda, G. antakiensis, G. apulica, G. artemczukii, G. azutavica, G. baluchistanica, G. baschkyzylsaica, G. bashoensis, G. bergii, G. bezengiensis, G. bithynica, G. bornmuelleriana, G. bowes-lyonii, G. brevistolonifera, G. bulbifera, G. caelestis, G. calantha, G. calcicola, G. calyptrifolia, G. capillifolia, G. capusii, G. chabertii, G. chanae, G. charadzeae, G. chinensis, G. chitralensis, G. chloroneura, G. chomutovae, G. chrysantha, G. circumplexa, G. commutata, G. confusa, G. cuneata, G. czatkalica, G. daghestanica, G. daqingshanensis, G. davlianidzeae, G. dayana, G. delicatula, G. deserticola, G. divaricata, G. drummondii, G. dschungarica, G. dubia, G. durieui, G. eleonorae, G. exilis, G. fedtschenkoana, G. ferganica, G. flavonutans, G. foliosa, G. fragifera, G. gageoides, G. germainae, G. glaucescens, G. goljakovii, G. gracillima, G. graminifolia, G. granatellii, G. granulosa, G. gymnopoda, G. gypsacea, G. haeckelii, G. helenae, G. hiensis, G. hissarica, G. humicola, G. huochengensis, G. ignota, G. incrustata, G. intercedens, G. iranica, G. jaeschkei, G. japonica, G. jensii, G. jispensis, G. joannis, G. juliae, G. kamelinii, G. kneissea, G. kopetdagensis, G. kunawurensis, G. kuraiensis, G. kuraminica, G. lacaitae, G. leosii, G. libanotica, G. lojaconoi, G. longiscapa, G. luberonensis, G. ludmilae, G. lusitanica, G. luteoides, G. maeotica, G. marchica, G. mauritanica, G. menitskyi, G. mergalahensis, G. michaelis, G. micrantha, G. minutissima, G. moniliformis, G. multipedunculifera, G. nabievii, G. nakaiana, G. neopopovii, G. nevadensis, G. noltiei, G. novoascanica, G. olgae, G. omalensis, G. paedophila, G. pakistanica, G. pampaninii, G. paniculata, G. pauciflora, G. pedata, G. peduncularis, G. peruzzii, G. podolica, G. polidorii, G. polymorpha, G. pomeranica, G. popovii, G. praemixta, G. pseudominutiflora, G. pseudopeduncularis, G. punjabica, G. pusilla, G. quasitenuifolia, G. quettica, G. ramulosa, G. rawalpindica, G. reinhardii, G. reticulata, G. reverchonii, G. rigida, G. robusta, G. rubicunda, G. rubinae, G. rufidula, G. rupicola, G. sarmentosa, G. sarysuensis, G. schachimardanica, G. schugnanica, G. scythica, G. setifolia, G. shmakoviana, G. sicula, G. siphonantha, G. sivasica, G. soleirolii, G. spumosa, G. staintonii, G. stepposa, G. subtilis, G. sulfurea, G. tadshikistanica, G. takhtajanii, G. talassica, G. taschkentica, G. taurica, G. tenera, G. tenuissima, G. tesquicola, G. theobaldii, G. tisoniana, G. toktogulii, G. toppinii, G. transversalis, G. triflora, G. trinervia, G. turanica, G. ucrainica, G. ugamica, G. ulazsaica, G. uliginosa, G. utriculosa, G. vaga, G. vaginata, G. vanensis, G. vegeta, G. villosula, G. vvedenskyi, G. wallichii, G. wendelboi en G. xiphoidea.