Vermeerderen en Verwilderen

Galanthus verwildering

Vermeerderen of verwilderen, wat is het verschil? Hoewel de consument ieder najaar wordt uitgedaagd nieuwe voorjaarsbollen te planten, kunnen veel bloembollen worden vermeerderd. Lees hieronder op welke manieren bloembollen, knollen en wortelstokken kunnen worden vermeerderd. Veel bolgewassen kunnen als meerjarig worden behandeld. Ze komen het volgende voorjaar terug en kunnen zich vermeerderen. De ene bol is beter geschikt dan de ander voor dit proces dat we verwildering noemen, maar daar moeten ze wel de mogelijkheid toe krijgen. Met deze verwilderingstips moet het lukken. Naast verwilderingsbollen zijn er ook enkele bloembollen die ‘stinzenplant/stinzenbol’ worden genoemd. Lees meer informatie onder het kopje Stinzenplanten.

VERMEERDEREN BLOEMBOLLEN, KNOLLEN EN WORTELSTOKKEN

Planten kunnen zich op verschillende manieren vermeerderen: via generatieve of vegetatieve voortplanting. Nieuwe planten die worden gevormd door middel van bollen, wortelstokken of uitlopers, door scheuren, stekken of enten, wordt vegetatieve voortplanting/vermeerdering genoemd. Generatieve voortplanting/vermeerdering verloopt via bestuiving en bevruchting van de bloemen, dus zaad. Met zaad is het mogelijk in korte tijd van één plant een groot aantal nieuwe plantjes te krijgen. Het nadeel is dat het een aantal jaar kan duren voordat een bloeiende plant wordt verkregen en de mogelijkheid van ongewenste kruisbestuivingen, de plantjes uit zaad zijn niet identiek aan de moederplant. Ook kan zaadproductie ten koste gaan van de aanleg van reservevoedsel in de moederplant. De methode die het meest wordt toegepast is de vegetatieve vermeerdering: broedbollen, zijbollen, spanen, schubben, stekken, kralen, klisters of hollen. Alleen via vegetatieve vermeerdering is het mogelijk een nieuwe partij bloembollen te telen met hetzelfde uiterlijk en eigenschappen als de oorspronkelijke plant.
Een aantal van de kleine voorjaarsbloeiende bloembollen verwilderen eenvoudig door zaad of broedbolletjes (zie verwilderingstips).

Zaad

De beste periode om te zaaien is de eerste helft van het groeiseizoen van een plant. Voor zomerbloeiers is dit tussen april en juni bij een temperatuur van 20-25°C en voor voorjaarsbloeiers van oktober tot december bij een temperatuur van 12-17°C.

  • Verzamel vers zaad van de bloemen als die zijn uitgedroogd;
  • Zaai het zaad direct in een laagje zaaigrond op een lichte plaats, niet in direct zonlicht;
  • Dek af met een laagje gezeefde compost en een laagje fijn grit;
  • Zorg ervoor dat de aarde vochtig blijft;
  • Als in een pot is gezaaid, plaats die in de winter dan op een koele plek;
  • Sommige zaden ontkiemen direct en sturen een scheut op, deze bollen worden epigeaal (kieming vindt plaats boven de grond) genoemd. Andere planten, zoals lelies, ontkiemen door het aanmaken van wortels en verschijnt er pas een steel en bladeren in de volgende lente, dit noemt men hypogeaal (kieming vindt plaats onder de grond);
  • Het kan tot het volgende voorjaar duren tot het zaad ontkiemt. In het tweede jaar kunnen de jonge bolletjes worden uitgeplant.
  • Afhankelijk van het soort kan de bloei nog jaren op zich laten wachten. 

Er zijn enkele soorten die zichzelf gemakkelijk uitbreiden via zaad. Dit zijn zogenoemde verwilderingsbollen.

Pollen delen/scheuren

Als bloembollen te dicht op elkaar staan, bloeien ze met kleinere bloemen. Om dit te voorkomen kunnen grote pollen/kluiten worden gedeeld/gescheurd. Krokussen, sneeuwklokjes, blauwe druifjes, narcissen, tulpen, boshyacinten, zomerklokjes en sierui kunnen worden vermeerderd door het delen/scheuren van grote pollen.

  • Haal de pol om de 4 of 5 jaar direct na de bloei uit de grond;
  • Haal de grote kluit bollen uit elkaar daarna de bijbolletjes die losjes aan de moederbol zitten;
  • Doe dit niet in direct zonlicht om uitdrogen te voorkomen;
  • Plant alle bollen direct weer. De grote bollen bloeien het volgende seizoen. Plant de bijbolletjes in een kweekbed, zij bloeien na 2 of 3 jaar.

VERMEERDEREN BLOEMBOLLEN

Broedbolletjes

Tulpenbollen met broedbolletjesVeel soorten vormen naast/onder de hoofd- of moederbol kleine bolletjes, ook wel broedbolletjes, bij- of zijbollen genoemd. Deze bolletjes bloeien altijd identiek aan de moederbol.

  • Graaf de planten op en verwijder deze bolletjes voorzichtig;
  • Verwijder oude velletjes en wortels = bloembollen pellen;
  • Plant de broedbolletjes direct;
  • Na 2 tot 3 jaar bloeit de bloembol weer, maar bij sommige grotere bollen (zoals Cardiocrinum giganteum) duurt dat 5 tot 7 jaar.

Hollen

Uitgeholde hyacintenDeze methode wordt gebruik bij de hyacint:

  • Snij de ‘bodemplaat’ weg – hol uit;
  • Bewerk met schimmelwerend middel;
  • Bewaar bij tenminste 20°C met het uitgeholde deel naar boven op enigszins vochtig zand;
  • Op het uitgeholde deel worden kleine bolletjes gevormd.

Okselbolletjes/Bulbils

broedbolletjes langs de stengel van Lilium bulbiferum subsp. bulbiferumDeze zijn te vinden in de bladoksels van sommige lelies zoals Lilium bulbiferum, Lilium leichtlinii en Lilium sargentiae.

  • Verwijder ze zodra ze rijp zijn als de lelie is uitgebloeid;
  • Plant ze direct (2,5 cm diep) in gelijke delen tuingrond, grof zand en turfmolm in een pot of bak;
  • Bewaar vorstvrij en plant het volgende voorjaar in de tuin. Ze bloeien binnen een paar jaar.

Parteren

Narcis, Veltheimia en Hippeastrum kunnen worden vermeerderd door parteren:

  • Verwijder de papierachtige buitenhuid en knip de wortels af met een scherp mes;Parteren
  • Verwijder de groeiende punt en ‘neus’ van de bol;
  • Houdt de bol met de ‘bodemplaat’ naar boven en snij met een scherp mes in 8-16 gelijke delen. Zorg ervoor dat aan elk deel een stuk van de ‘bodemplaat’ zit;
  • Laat de delen 12 uur op een rek drogen;
  • Stop de delen in een doorzichtige plastic zak met tien delen fijn vermiculiet tot een deel water. Blaas lucht in de zak en sluit de zak;
  • Bewaar de zak op een donkere plek bij 20°C voor ongeveer 12 weken. Controleer af en toe en verwijder rotte delen;
  • Tijdens het bewaren scheiden de lagen zich waartussen zich bolletjes vormen, net boven de bodemplaat;
  • Plant de delen afzonderlijk in potten met daarin op leem gebaseerde compost. Plaats het deel met de bodemplaat naar beneden en dek af met ongeveer 1 cm compost. Hou de grond redelijk droog;
  • Plant in het najaar de bolletjes in de volle grond.

Parteren kan aan het begin van de rustperiode zodra het blad is afgestorven. Er is onderzoek gedaan naar parteren bij Chionodoxa, Eucomis, Galanthus, Galtonia, Haemanthus, Lachnenalia, Muscari, Scilla, Ornithogalum en Veltheimia.

Schubben

Lelieschubben met nieuwe bolletjesDeze methode wordt gebruikt bij de Lilium, Nerine en Narcis (Bowiea en Drimia):

  • Haal in de late zomer of vroege herfst de bol uit de grond;
  • Verwijder beschadigde buitenschubben;
  • Breek enkele schubben voorzichtig los met een stukje van de bolschijf (kant waaruit de wortels groeien;
  • Voorzie deze van een schimmelwerend midden;
  • Bewaar ze in een mengsel van perliet, turfmolm en lucht voor 2 tot 3 maanden op een donkere plaats bij een temperatuur van tenminste 201°C;
  • Enkele lelies, zoals Lilium martagon, hebben nog eens 6 weken nodig bij 5°C;
  • De bolletjes die op de schubben worden gevormd, hebben minimaal 8 weken rust nodig bij een temperatuur van 2 tot 4° Zet ze in een koelkast of koude bak;
  • Plant de bolletjes in het voorjaar. Zijn de schubben zacht geworden, verwijder deze dan van de bolletjes voordat die worden geplant. Als de schubben nog stevig zijn of al wortels hebben, laat ze dan aan de bolletjes vastzitten.

Gladiool met kralenVERMEERDEREN KNOLLEN

Knollen verschrompelen en verdwijnen tegen het einde van het seizoen. Ze vormen echter wel 1 of 2 nieuwe knollen en meestal een aantal kleine knolletjes of kralen. Deze kunnen opnieuw worden geplant. De gladiool wordt vermeerder via kralen:

  • Zodra het blad verwelkt is de knollen rooien;
  • Snij de bovenkant weg en laat 2 tot 3 weken uit de zon drogen op latjes of kippengaas;
  • Verwijder de kralen van de rand van de knol;
  • Verwijder de oude knol voorzichtig van de nieuwe knol;
  • Triteleia knol met kleintjesMaak de nieuwe knol en de kralen schoon en bestuif met fungicide;
  • Bewaar ze in kousen of kippengaas in een koele ruimte niet warmer dan 10°C waar het niet vriest;
  • Plant de kralen in het voorjaar in een hoekje van je tuin en rooi ze ieder jaar;
  • Na 2 of 3 jaar heb je een bloeiende plant;
  • De nieuwe knol planten in het voorjaar.

Snijden

Deze methode wordt gebruikt bij de Zantedeschia/Calla:

  • Zantedeschia knolOp de knol zitten naast de hoofdknop meerdere slapende knoppen die normaal niet uitlopen;
  • Snij de knol in repen of stukken met een slapende knop;
  • Bestuif de delen met fungicide om infecties te voorkomen;
  • Plant de delen in de grond, de knol gaat groeien uit de knop.

Een wortelknol zoals de dahlia kun je als volgt snijden:

  • Snij de kluit in stukken;
  • Zorg ervoor dat ieder stuk een deel van de oude stengel heeft en een spruit of oog;
  • Stop de delen in een plastic of papieren zak met fungicide en schud voorzichtig, dit ter voorkoming van infecties;
  • Laat de delen 2 tot 3 uur drogen;
  • Plant ze per stuk 17,5 cm diep met het oog omhoog onder 5 cm grond.

Stekken

Dahlia stekVermeerderen via stekken levert een identieke plant als de moederplant op. Dahlia’s zijn prima te stekken:

  • Haal in de herfst, voor de nachtvorst, de planten uit de grond en haal de knollen uit elkaar;
  • Plant de knol in december in een koude kas in een dunne laag grond met de oude bloemsteel/hals ruim boven de grond, dit noem je opleggen;
  • Zet de pot op een warme (15-20°C), lichte plaats en houdt de knollen vochtig;
  • Na een week of 3 beginnen de ogen op de stengel uit te lopen tot stekken. Snij uitlopers met minimaal 2 bladparen onder het onderste bladpaar af en verwijder het onderste bladpaar;
  • Zet de stekjes in een pot met stekgrond, plaats de pot op een warme plek en houd de stekken goed vochtig;
  • Dahlia knol met stekZet de stekken in een zaaikasje of dek ze af met doorzichtig plastic om vochtverlies te voorkomen;
  • Zodra de stekken groeien, overzetten in een grotere pot;
  • Vanaf half mei, als er geen kans meer is op nachtvorst, kunnen de stekken naar buiten;
  • Deze stekken moeten nog een knol ontwikkelen, dus het duurt langer voordat een stek uitgroeit tot een volwassen dahlia;
  • Ook de moederknollen die opnieuw zijn uitgelopen kunnen buiten worden uitgeplant;

TIP: label de stekjes zodat je weet om welke cultivar het gaat. 

VERMEERDEREN WORTELSTOKKEN EN STENGELKNOLLEN

Wortelstokken en stengelknollen zoals de Canna, worden vermeerderd door die in stukken te snijden waarbij ieder stuk wel een oog moet hebben.

Vermeerderen door weefselkweek

Naast al deze methoden is er nog een vegetatieve vermeerderingsmethode: weefselkweek in een laboratorium. In korte tijd is het mogelijk een groot aantal identieke nakomelingen te verkrijgen. In een laboratorium worden boldelen onder steriele omstandigheden in kleine partjes gesneden en op een speciale voedingsbodem geplaatst in een bakje of buisje. De voedingsbodem bevat groeistoffen die de vorming en groei van bolletjes stimuleren. Dit alles vindt plaats in speciale klimaatcellen. Het voordeel van weefselkweek is dat de planten ziektevrij zijn.

VERWILDEREN BLOEMBOLLEN

Natuur

Ze moeten op de juiste plek staan en de tijd krijgen zich te ontwikkelen, zich uit te breiden, zaad te verspreiden. Het verwijderen van uitgebloeide bloemen zorgt wel voor een keurig perk, maar verhindert zaadvorming. Het blad moet de tijd krijgen af te sterven, want zo krijgt de bol na de uitputtende bloei nieuwe energie. Ook bladafval van omringende houtige gewassen moet niet te ijverig worden verwijderd want het kan dienstdoen als bescherming tegen extreme weersomstandigheden.

Eranthis verwilderd

Bollen en knollen moeten zich dus optimaal kunnen ontwikkelen om zich vervolgens in alle rust te kunnen terugtrekken. Dat kan wel eens wat ongeduld opleveren bij verzorging van grote groepen krokussen in gazons. Immers krokussen houden van grasvelden die doorgaans droog zijn in de rustperiode van de bol. En wij houden van krokussen in het gras, maar na de spetterende bloei in het nog doodse winterse gras, volgt een periode van geler wordend blad van het bolgewas, terwijl het gras weer begint te groeien. De eerste maaibeurt zal dan toch met een boog om de bloembollen heen moeten gaan, anders moeten er ieder najaar weer nieuwe bollen worden gepoot.

Samenvattend: na de bloei neemt de bladontwikkeling van een bol- of knolgewas dus sterk toe om de bol energie te leveren en wordt ook zaad gevormd dat ruimschoots de gelegenheid moet krijgen uit te rijpen. De zaden die van enkele gewassen, zoals Chionodoxa, Scilla enz. tussen de planten vallen zullen daar een goede voedingsbodem vinden om te kiemen met als gevolg een toename van het aantal en op den duur dus ook aanzienlijk meer bloemen. Spitten in een perk met verwilderingsgroen is sterk af te raden. Schrijf op waar verwilderingsbollen zijn geplant zodat er geen schade kan ontstaan door het bijplanten van andere gewassen of door schoffelen. Een plattegrond of foto’s maken, is natuurlijk ook een mogelijkheid.

Geschikte plek en combinaties

Geschikte plekken in de tuin om verwilderingsbollen te planten zijn onder loofbomen of bladverliezende struiken, in grasvelden en weides, tussen vaste planten in borders, tussen lage bodembedekkers zoals Lelietje der Dalen, Dovenetel of Maagdenpalm. Verwilderingsbollen zijn ook zeer geschikt voor het openbaar groen, een landgoed, een bedrijfsterrein, grasvelden, bermen, groenstroken, al dan niet open of omlijst met bos en hagen of heestergroepen.
Combineer verwilderingsbollen met vaste planten of grassen zoals Alchemilla mollis, Bergenia-soorten, Epimedium, Geranium, Helleborus, Heuchera, Hosta, Lamiastrum, Symphytum, Tellima, Tiarella, Vinca minor en Waldsteinia. Ze komen ook mooi uit als beplanting onder grotere heesters of bomen.
De volgende soorten verwilderen goed omdat ze gemakkelijk uitzaaien. Het duurt wel een aantal jaar voor de bollen een bloeibare grootte hebben bereikt:
– Allium sphaerocephalon – kogellook, trommelstokje
– Allium ‘Purple Sensation’ – sierui
– Allium ursinum – daslookAllium sphaerocephalon
– Anemone blanda – blauwe of Oosterse anemoon
– Anemone nemerosa – bosanemoon
– Camassia esculenta – prairielelie
– Chionodoxa lucilaea – sneeuwroem
– Chionodoxa sardensis – kleine sneeuwroem
– Colchicum – herfsttijlloos
– Corydalis solida – vingerhelmbloem
Sneeuwklokje– Crocus tommasinianus – boerenkrokus
– Crocus vernus – bonte krokus
– Eranthis hyemalis – winterakoniet
– Fritillaria meleagris – wilde kievitsbloem
– Galanthus nivalis – sneeuwklokje
– Hyacinthoides non-scripta – wilde hyacint of boshyacint
– Leucojum aestivum – zomerklokje
– Muscari armeniacum – blauw druifje
Puschkinia– Narcissus poeticus recurvus – dichtersnarcis
– Narcissus pseudonarcissus – trompetnarcis
– Ornithogalum nutans – knikkend vogelmelk
– Oritogalum umbellatum – vogelmelk
– Puschkinia libanotica – buishyacint
– Scilla bifolia – vroege sterhyacint
– Scilla siberica – Oosterse sterhyacint
– Tulipa sylvestris – bostulp

Voor een minder natuurgetrouwe beplanting komen uiteraard vele andere soorten in aanmerking. Denk aan de Anemone blanda, die zowel in gemengde kleuren als afzonderlijk in de kleur lila, wit en blauw, aangeboden wordt. De wilde hyacint kan bijvoorbeeld gemakkelijk vervangen worden door de Spaanse hyacint. In sommige gevallen zal blijken dat de exotische soorten zich beter zullen handhaven dan de inheemse. De uitdaging is en blijft het zelf proberen en dan trots zijn op het resultaat.

Uitdaging

Hoewel leveranciers van bloembollen de consument willen verleiden tot jaarlijkse aankoop, laten ze toch onderzoeken hoe u langer dan één seizoen van uw bloeiende tuin kunt genieten. Door uitgebreid onderzoek is men tot de conclusie gekomen dat veel bloembollen geschikt zijn voor meerjarenbloei mits geplant in een lichte en zonnige omgeving. Uiteraard zijn dat de bekende krokusScillaAllium en narcis. Daarnaast zijn hyacinten zoals ‘Pink Pearl’, ‘White Pearl’ en ‘Delfts Blauw’ zeer geschikt. Bij de tulpen zijn enige botanische cultivars geschikt zoals turkestanica, tarda, linifolia, ‘Cape Cod’ en ‘Candela’. Maar ook langstelige tulpen zoals ‘Ad Rem’, ‘Don Quichotte’, ‘Golden Apeldoorn’ en ‘Parade’.

Verplanten

Vormen de verwilderingsbollen een te dichte pol, dan is het raadzaam de pol voorzichtig op te graven en te delen. Wordt dit niet gedaan dan loopt de bloei terug.

Grondbewerking 
Het woord verwildering kan het idee geven dat we de natuur de vrije hand moeten geven. Maar elk gewas moet voor het gewenste resultaat in optimale omstandigheden vertoeven, dus we ontkomen niet aan aanpassing en verrijking van de grond. Alvorens tot planten over te gaan dient nagegaan te worden in hoeverre het perceel geschikt is voor de verwildering van bloembollen. Waterhuishouding, humusgehalte en zuurgraad (pH) spelen hierbij een belangrijke rol. Blijkt de drainage niet goed te functioneren, dan moet dit verholpen worden. Het humusgehalte wordt verhoogd door het aanbrengen van organische meststoffen en/of compost. Die zijn ook geschikt voor de zwaardere leem en kleigronden. De pH, die om en nabij de 6 -6,5 moet liggen, kan verhoogd worden door het opbrengen van kalk of verlaagd worden door het toevoegen van turfmolm.

Een bemesting op maat voorkomt dat planten verzwakken en gevoelig worden voor ziekten en plagen. Goede bemesting eens per jaar, bij voorkeur na de bloei, verbetert niet alleen de bodem en de groei en bloei maar kan bovendien het gebruik van bestrijdingsmiddelen vrijwel onnodig maken. Gedacht kan worden aan:

  • organische meststoffen, zoals compost en dierlijke mest;
  • natuurlijke meststoffen als aanvulling op organische mest (beendermeel, fosfor, kalk, zoals maërl enz.).

Maar bij verwildering moet in principe worden uitgegaan van een juiste standplaats waar de natuur in balans is. Pas na een aantal verschijnselen (vaak zichtbaar in het blad van planten) waaruit een tekort aan een bepaalde voedingsstof blijkt, is gebruik van aanvullende meststoffen een aanbeveling.

Maaien Gazon met verwilderingsbolletjes

Terugkomend op de grasvelden en bermen waarin voorjaarsbloemen zijn geplant, streven we ernaar pas te maaien als de bovengrondse delen van de bol geheel zijn afgestorven, als regel 6 tot 8 weken na de bloeiperiode. Het is de moeite waard deze periode in acht te nemen om zo het volgende voorjaar weer te genieten van de bloeiende sneeuwklokjes, krokussen, Chionodoxa, Scilla siberica en vroegbloeiende narcissen.

STINZENPLANTEN

Enkele bloembollen worden naast verwilderingsbol ook wel ‘stinzenplant/stinzenbol’ genoemd. Het is een verzamelnaam voor een groep, met name knol-, bol- en wortelstokgewassen, verwilderende voorjaarsbloeiers. Een aantal soorten wordt gezien als begeleider van stinzenplanten. Ze groeien daar waar de stinzenplanten groeien, zoals Fluitekruid (Anthriscus sylvestrus), Zevenblad (Aegopodium podagraria), brandnetel (Urtica dioica), Kraailook (Allium vineale) en Speenkruid (ficaria verna). Het zijn verwilderde tuinplanten die in de 15e eeuw uit verre oorden naar Nederland werden gehaald om op buitenplaatsen (stinzen) te planten. Het zijn vooral de voorjaarsbloeiende bloembollen die als stinzenplant worden aangeduid. Eenmaal geplant, werd er niet meer naar omgekeken. Velen van hen overleefden het niet, maar pasten zich aan en verwilderden zelfs. Ze zijn goed ingeburgerd in Nederland en verwilderen makkelijk. De term stinzenplant is afgeleid van het Friese woord ‘stins’ dat ‘stên hûs’ of steenhuis betekent. De eerste stinzen waren niet meer dan een vierkante stenen wachttoren naast een houten huis of boerderij. In de middeleeuwen was baksteen een schaars en duur product, alleen de landadel kon het zich veroorloven een stins te laten bouwen. De meeste stinzen zijn tussen 1200 en 1400 gebouwd als een versterkt stenen huis in de vorm van een toren. Later hebben veel van deze stinzen zich ontwikkeld tot landgoederen. De stinzenplanten zijn vanaf de 16e eeuw uit Midden- en Zuid-Europa aangevoerd waar ze groeiden in bossen en bergweiden. Ze groeien vaak onder loofbomen en zijn de eerste planten die bloeien in de lente. Ze verwilderen via zaad dat door mieren wordt verspreid. Aan elk zaadje zit een zogenaamd mierenbroodje, een voedselrijk aanhangsel dat de mieren meenemen naar hun nest. Je kunt ook zelf zaad winnen. Laat de plantjes afsterven, pluk het rijpe zaad en verspreid direct in de tuin. Het duurt 3 à 4 jaar voordat de eerste bloemen bloeien. Het vermeerderen via zaad werkt het best met zaad van wilde soorten. Meestal worden er hybriden verkocht en die zetten geen zaad. Wilde soorten zijn te herkennen aan de wetenschappelijke naam. Als er een cultivarnaam bij staat (meestal het derde woord in de naam), dan is het geen botanische soort, bijv. Galanthus nivalis ‘Atkinsii’.

Huis Leyduin, VogelenzangWaar zijn stinzenplanten nog te vinden?

Stinzenplanten komen vooral voor op de stinzen in Friesland (zie http://www.statenstinzen.nl/staten-en-stinzen/ voor een overzicht van de stinzen in Friesland), maar komen ook voor op andere buitenplaatsen zoals: Coendersbos in Nuis (Groningen), Iwema Steenhuis in Niebert (Groningen), Landgoed Leyduin in Vogelenzang (Noord Holland), Sypesteyn in Loosdrecht (Utrecht), Landgoed Hackfort in Vorden (Gelderland), Landgoed Elswout in Overveen (Noord Holland) en kasteel Nijenrode in Breukelen aan de Vecht (Utrecht).

Stinzen soorten

Tegenwoordig worden de volgende soorten gezien als stinzenbol: Allium ursinum, Anemone blanda ‘Blue Shades’, Anemone nemerosa, Anemone nemerosa ‘Robinsoniana’, Anemone nemerosa ‘Vestal’, Anemone ranunculoides, Arum italicum, Arum maculatum, Chionodoxa forbesii, siehei, Chionodoxa sardensis, Colchicum autumnale, Corydalis solida, Crocus tommasinianus, Eranthis hyemalis, Fritillaria meleagris, Galanthus elwesii, Galanthus nivalis, Galanthus nivalis ‘Flore Pleno’, Hyacinthoides hispanica, Leucojum aestivum, Leucojum vernum, Muscari botryoides, Muscari comosum, Muscari latifolium, Narcis pseudonarcissus lobularis, Narcis pseudonarcissus obvallaris, Narcis poeticus recurvus, Ornithogalum nutans, Ornithogalum umbellatum, Scilla bifolia, Schilla siberica en botanische tulpen zoals Tulipa sylvestris, Tulipa batalinii en Tulipa clusiana. 
In de 17e eeuw waren dat: Galanthus nivalis, Leucojum vernum, Leucojum aestivum, Muscari botryoides, Narcissus jonquilla, Narcis pseudonarcissus, Ornithogalum soorten en Scilla bifolia.
In de 16e eeuw waren dat: Leucojum vernum en Scilla bifolia.

Waar en wanneer groeien stinzenplanten?

Stinzenplanten groeien goed in een bostuin, het gazon, borders tussen vaste planten of bodembedekkers maar ook bij of onder bladverliezende heesters en loofbomen, maar niet onder coniferen. Ze hebben voldoende licht nodig. Ze houden niet van natte zware klein, maar van humeuze, niet te zure grond. De grond maak je minder zuur door kalk toe te voegen, bijvoorbeeld in de vorm van schelpen. Op de website van Stinze-Stiens is een stinzenflora-monitor (https://www.stinze-stiens.nl/stinzenflora-monitor/) te vinden. Dat is een hulpmiddel om te zien waar, wanneer welke soort stinzenplant bloeit. Deze monitor beperkt zich voorlopig tot een beperkt aantal historische terreinen in Fryslân, en één in Gelderland met een fraai ontwikkelde stinzenflora. Op de website https://www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten is te zien welke soorten waar in het wild voorkomen in Nederland.

Stinzenflora app

Er is een stinzenflora app beschikbaar. Deze gratis app geeft een compleet overzicht van de Nederlandse stinzenplanten. De app is gemaakt met Stinzenflora kenner Heilien Tonckens en heeft prachtige foto’s van Natuurfotograaf Wil Leurs. De Stinzenflora app is ontwikkeld met financiële bijdragen van het Prins Bernhard Cultuurfonds Friesland en de Douwe Kalma Stichting en met medewerking van de Friese Vereniging voor Veldbiologie (FFF). De Stinzenflora app is gratis te downloaden in Google Play via de link Stinzenflora app: https://play.google.com/store/apps/details?id=nl.nature2u.stinzeapp .

Meer lezen en kijken over stinzenplanten?

Lees een interessant artikel van Trudi Woerdeman op http://dewarande.nl/publicaties/StinzenplantenTuinhistorie-T.Woerdeman-2009.pdf. Willem van Riemsdijk heeft een interessante blog geschreven over ‘Stinzenplanten. Waar hebben we het over? What’s in a name?, zie www.stinze-stiens.nl/blog/waar-hebben-we-het-over-whats-in-a-name/ .Maar ook ophttp://www.stinsenplanten.nl/https://www.stinze-stiens.nl en http://www.stinzenflorafryslan.nl/ is veel informatie te vinden.
In 2017 heeft het TV programma ‘Binnenste Buiten’ een item uitgezonden over stinzenplanten. Bekijk hier het filmpje: https://binnenstebuiten.kro-ncrv.nl/fragmenten/stinzenplanten-in-stiens.

Begin 2020 is het boek ‘Basisgids Stinzenplanten’ verschenen (ISBN 9789050117104) en het boek Stinzenplanten in Fryslân (ISBN 9789056156220).