Scilla

Scilla siberica 'Spring Beauty'

Scilla is familie van de Asparagaceae  

Populaire naam: Sterhyacint  

Bloemkleur: blauw, wit en roze - Bloeiperiode: februari-medio april  

Plantdiepte: 8 cm - Plantafstand: 8 cm - Planthoogte: tot 15 cm

Toepassingen: rotstuin, borders onder bomen en heesters, potten

NAAM EN HERKOMST SCILLA

De meeste soorten worden gevonden in Europa, Noord-Afrika en westelijk tot centraal Afrika. Er zijn ook enkele soorten die voorkomen in tropisch Afrika, India en Zuid-Afrika. Het is een groot gewas met meer dan 100 soorten en aantrekkelijk voor honingbijen. In Latijn betekent Skilla ‘gelijkende, verwante plant’, in het Grieks is Scilla ‘krenken, benadelen’, maar ook gevaarlijk, giftig. Scilla is ook een plaats in Calabrië, Italië.

KLEUREN EN VORMEN SCILLA

Voordat de bloei begint, hebben zich aan de donkerbruine bol 3 lancetvormige bladeren gevormd, geplaatst aan één zijde van de bloemsteel. Ze heeft 3 tot 5 ster- of belvormige bloemen. Uit iedere bol groeien 3 tot 4 stengels met ieder 2 bloemen. Ze heeft een mooie blauwe kleur met in het midden een donkere nerf, maar komt ook voor in wit, licht blauw en zachtroze. De bloemstelen zijn gebogen, waardoor de bloemen hangen als klokjes. De meeldraden zijn wit, aan de top overgaand in blauw. Ook de helmknoppen zijn blauw.

SYMBOLIEK SCILLA

Symbool van vermaak zonder gehalte.

Scilla litardierei Picture Mary Sue Ittner

SCILLA KOPEN

Koop in het najaar stevige, gezonde, grote bloembollen die gelijkmatig van vorm zijn. Koop nooit bloembollen die zacht of doorweekt zijn, blauwe of groene schimmel hebben, er bedorven uitzien of uitgedroogd zijn of al uitlopers hebben. Deze zijn waarschijnlijk ondeskundig of te lang bewaard. Koop ook geen beschadigde bloembollen want deze zijn gevoelig voor schimmels. Grote bloembollen geven stevige lange stengels en grotere en/of meer bloemen. Meer kooptips.

PLANTEN SCILLA

Plant ze vroeg in de herfst in goed doorlatende humusrijke niet uitdrogende grond op een plek in de zon of lichte schaduw. Plant ze direct na de koop zodat ze voor het aanbreken van de vorstperiode goed kunnen wortelen. Er wordt gezegd dat Scilla’s andere bolgewassen tegen muizen beschermen door hun zachte uiengeur. Meer planttips.

VERZORGING SCILLA

Snij in het voorjaar de afgestorven bladeren af en breng een dikke laag compost op de grond aan, om de aarde te verbeteren en vochtig te houden. Een laagje plantaarde of oude mest in de herfst bevordert de bloei. De bolletjes zijn winterhard, dus ze kunnen in de grond blijven zitten. Meerverzorgingstips.

VERWILDERING EN VERMEERDERING SCILLA

In bosachtige gedeelten van een grote tuin kunnen ze vrij verwilderen en prachtige bloementapijten vormen. Ze vermeerdert zich via broedbollen en zaad. Na de bloei verslappen de stengels en komen de rijpende vruchten op de grond te liggen. De zaden zijn licht geelbruin. Als de planten na enkele jaren te groot zijn geworden, kunnen ze gedeeld worden en op een andere plaats opnieuw worden geplant. Graaf de bollen uit zodra de bladeren zijn afgestorven; haal de broedbollen eraf en plant deze afzonderlijk. Na twee of drie jaar kunt u de eerste bloemen verwachten. Meer verwilderingstips.

SCILLA OP DE CATWALK IN HET TUINPALET

Ze combineert mooi met witte en gele narcissen, Puschkinia scilloides var. Libanotica, Ajuga reptans, Crocus tommasianianus ‘Ruby Giant’, sneeuwklokjes, Tradescantia, Tulipa humilis, primula’s, Anemone blanda en nemorosa.

CULTIVARS SCILLA

Scilla albinerve Picture Hasan Yildirim

Scilla albinerve: is inheems in een klein gebied in Zuid-Turkije waar ze groeit op beboste hellingen. Ze heeft roze bollenschalen, een witte hoofdnerf op de blaadjes en geelachtige of oranje zaden met een wit elaiosoom (mierenbroodje: een aanhangsel aan zaden of vruchten van sommige plantensoorten, dat als voedsel kan dienen voor mieren). Ze is nauw verwant aan Scilla bifolia en werd beschreven door Hasan Yildirim (gepubliceerd in september 2014).         

Scilla amoena: komt uit midden Europa, wordt 15-25 cm hoog en is beschreven in 1905. Ze bloeit in april/mei in donkerblauw met een donkerder nerf.  

Scilla bifolia

Scilla bifolia: (betekent tweebladig) is wijdverspreid in Midden- en Zuid-Europa, de Kaukasus en Klein Azië en arriveerde in 1594 al in Nederland. Ze wordt ook wel vroege sterhyacint genoemd, in Friesland nagelhyacint en in Noord-Overijssel zeeui. Ze heeft 2 (bifolia) lancet- en gootvormige bladeren. De korte bloemstengel draagt een tros van 3 tot 8 bloemetjes. De klokvormige bloemetjes zijn donkerblauw met uitgespreide bloemdekslippen, is geurend en bloeit in maart/april. Ze zaait zich makkelijk uit. De cultivar ‘Alba’ bloeit wit en ‘Rosea’ zachtroze. 

Scilla bithynica: oorspronkelijk kom ze uit Bulgarije en Klein Azië en wordt 10-30 cm hoog. Ze heeft meestal 2 purperen bloemstengels met bloemtrossen van 7-15 licht purperen tot 2 cm grote bloemen.  De 2-5 bladeren zijn lijnvorming en 10-40 cm lang met nerven. Ze bloeit in april-mei. 

Scilla buekkensi: komt uit Hongarije en Centraal-Europa. De stengel heeft een tros blauwe bloemen in de vorm van een piramide en bloeit in maart-april.      

Scilla cretica Picture John Lonsdale, Edgewood Gardens

Scilla cilicica: is inheems in Zuid-Turkije, Syrië, Libanon en Noord-Israël. Ze groeit in struikgewas, onder struiken en op rotsachtige plaatsen. De bladeren verschijnen in de herfst en de lila-blauwe bloemen bloeien al in het vroege voorjaar. 

Scilla cretica: komt alleen voor op Kreta waar ze groeit tussen struiken op een hoogte van 1300-1700 m.   

Scilla dimartinoi Picture Angelo Porcelli

Scilla dimartinoi: is een weinig bekende soort die alleen voorkomt op Lampedusa, een klein eiland tussen Sicilië en Noord-Afrika. De doffe groene bladeren liggen op een sterachtige manier plat op de grond en hebben harige randen. De lange schutbladen hebben ook harige randen. De bloeiwijze is een stengelloos bloemscherm van dicht opeengepakte bloemen, dat doet denken aan een gigantische Massonia. De bloemen zijn bijna wit met een heel lichtblauwe tint, waardoor ze grijsachtig aandoen, maar de stampers zijn donkerder. Mieren lijken de bestuivers te zijn, omdat ze bloemen bezoeken die druppels nectar afscheiden.

Scilla forbesii Picture David Pilling

Scilla forbesii: (syn. is Chionodoxa forbesii) genoemd naar de Engelse botanist prof. Edward Forbes. Ze wordt ook wel grote sneeuwroem genoemd. Ze heeft lijnvormige bladeren van 15-30 cm lang en 4-12 bloemen die aan de punten diepblauw zijn, verder wit met over de hele lengte van het bloemblad een donkere middenstreep. Ze bloeit in maart/april, is afkomstig van de berg Tmolus in Klein Azie.  

Scilla haemorrhoidalis Picture Oron Peri

Scilla haemorrhoidalis: is ontstaan op de Canarische Eilanden. Ze bloeit in de late winter in de kleuren roze, paars en blauw en heeft 3 brede en vlezige bladeren. De naam die ‘bloedrood’, ‘bloedend’ of ‘aders’ kan betekenen, verwijst mogelijk naar de rode stengels.

Scilla hyacinthoides Picture Angelo Porcelii

Scilla hyacinthoides: is een mediterrane soort, oorspronkelijk uit het Midden-Oosten maar genaturaliseerd in het zuiden van Italië. Ze heeft 2 lijnvormige bladeren en een tros met 4-6 trechtervormige en 8-9 mm lange witachtige tot lichtblauwe bloemen. Ze groeit op slechte steenachtige grond.  

Scilla ingridiae: komt uit het zuiden van Turkije en heeft één tot drie lichtblauwe bloemen      

Scilla libanotica Picture Oron Peri

Scilla libanotica: is een zeldzame soort uit in Libanon, West Syrië en op één locatie aan de Israëlische kant van Mt. Hermon. Ze bloeit slechts enkele dagen nadat de sneeuw smelt in schaduwrijke rotsachtige habitats en aan de voet van loofbomen.    

Scilla lilio-hyacinthus: groeit in centraal en zuidelijke Pyreneeën in april-juni. De bloemstengel wordt tot 40 cm hoog en heeft stervormige blauwe bloemen die tros- of aarvormig gerangschikt zijn.    

Scilla litardierei

Scilla litardierei: komt uit het westen van de Balkan en werd in 1827 naar Engeland gebracht. Ze heeft grasachtige bladeren van 3-6 cm lang, bloeit in mei-juni en heeft een dichte tros van 15 tot wel 70 licht blauwe stervormige bloemen. 

Scilla luciliae 'Alba'

Scilla luciliae: (syn. is Chionodoxa luciliae) door E. Boissier in 1842 gevonden op 2100 meter hoogte en vernoemd naar zijn echtgenote Lucile. Ze heeft 2-3 gootvormige bladeren van 10 cm lang en 15 lavendelblauwe bloemetjes met een wit hartje. Ze bloeit in maart/april. Enkele cultivars: ‘Alba’ wit, ‘Pink Giant’ violet, ‘Zwanenburg’ helderblauw, ‘Grandiflora’ grotere iets blauwe bloemen, ‘Tmolusi’ grotere bloemen met wit hartje. De ‘Pink Giant’ is steriel dus geeft geen zaad. Deze soort wordt in Nederland verhandeld onder de naam Chionodoxa luciliae. 

Scilla madeirensis Picture Cristian Bortes CC BY 2.0

Scilla madeirensis: komt oorspronkelijk uit Madeira. Ze wordt verondersteld zeldzaam te zijn in het wild, misschien met uitsterven bedreigd, maar wordt op Madeira toch nog gevonden op een aantal locaties.  

Scilla melaina: is een van de kleine scilla’s, endemisch in de bergen van Turkije. 

Scilla messeniaca: komt uit het zuiden van Griekenland, heeft brede bladeren en past zich aan in Westerse tuinen maar heeft toch moeite met een te vochtig winterklimaat.        

Scilla mischtschenkoana

Scilla mischtschenkoana: Populaire naam is witte sterhyacint of streephyacint. Ze komt oorspronkelijk uit het noordwesten van Iran (Tabris) en de Kaukasus. Ze is vernoemd naar de Russische botanist Pavel Mischtschenko en werd door Van Tubergen in 1945 naar Nederland gehaald. De weinige blaadjes zijn smal en lijn- tot gootvormig. De trosjes met bloemen bestaan uit stervormige wat knikkende zeer lichtblauwe geurende bloemetjes met op ieder bloemblaadje een lichtblauw nerfje en verschijnen direct na de winter. Uit ieder bolletje komen 3 tot 4 bloemsteeltjes met 3 of meer bloemen. Ze verwildert prima en is geschikt voor de pot. De cultivar ‘Tubergeniana’ is zeer licht blauw.        

Scilla monophyllos Picture Mary Sue Ittner

Scilla monophyllos: wordt gevonden op steenachtige plaatsen in het zuidwesten van Spanje, Portugal en Marokko. Ze heeft slechts één breed blad per bol en kleine blauwe bloemen.   

Scilla morrisii: is endemisch op het eiland Cyprus, waar ze extreem zeldzaam is en met uitsterven wordt bedreigd. Ze groeit in halfschaduw tot schaduw in vochtige habitats en bloeit in februari.

Scilla peruviana

Scilla peruviana: is inheems in Portugal, Spanje en het zuiden van Italië. Ze heeft 5-6 lijnvormige bladeren van 20-60 cm lang. De bloemstengel heeft een top van 40-100 donker violette bloemen in de vorm van een piramide. Ze bloeit vroeg in het voorjaar. Het verhaal gaat dat Clusius naar Bristol ging en te horen kreeg dat de plant was aangekomen op een schip genaamd de Peru. Op basis daarvan heeft Clusius de plant Hyacinthus stellatus Peruänus (sic) genoemd. Dit verhaal wordt verteld in Gray’s Hardy Bulbs (eind jaren dertig) en in Collin’s Guide to Bulbs (begin jaren zestig) en in andere bronnen, maar er is geen bewijs voor de oorsprong van de naam. Deze Scilla is ook geschikt als snijbloem. Variëteit ‘White Moon’ bloeit wit. 

Scilla rosenii: groeit in de natuur op alpenweiden en verschijnt zodra de sneeuw smelt. Ze komt voor van Noordoost-Turkije tot aan de Transkaukasus. 

Scilla sardensis

Scilla sardensis: (syn. is Chionodoxa sardensis) oorspronkelijk komt ze voor in Klein-Azië, West-Turkije bij Izmir in dennenbossen op  ongeveer 550 m hoogte op de vochtige noordflanken. Ze wordt sinds 1887 gebruikt in siertuinen en parken en wordt kleine sneeuwroem genoemd. Ze heeft tot 22 klok- tot stervormige violetkleurige bloemen met een klein wit hartje in een losse eenzijdige tros en wordt10-15 cm hoog. De bladeren zijn lijnvormig.

Scilla_siberica Picture Dominicus Johannes Bergsma

Scilla siberica:  (betekent Siberisch) ze wordt ook wel Oosterse Sterhyacint genoemd. Ze bloeit in diep blauw met een wit hart, de bladeren smal en glanzend groen. Oorspronkelijk komt ze uit Oekraïne, Georgië, Rusland, Azerbeidzjan en Noord-Iran van vochtige weilanden vlakbij de sneeuwgrens, maar is intussen goed geaard in West-Europa. Ze heeft 1-5 bloemstelen met ieder een tros van 2-3 stervormige licht geurende diepblauwe bloemen. Ze wordt 10-20 cm hoog en is in 1796 beschreven. Ze trekt veel bijen en hommels aan en is ideaal voor verwildering op zonnige tot half beschaduwde plekken onder bladverliezende bomen of in het gazon. De cultivar ‘Spring Beauty’ bloeit blauw, is een steriele cultivar en draagt geen zaad. Ze heeft meestal 4 bloemen, die wat groter zijn. De cultivar ‘Atrocaerulea’ groeit forser in donkerblauwe, ‘Paillida’ in licht blauw en ‘Alba’ in wit.

Scilla verna Picture Bob Rutemoeller

Scilla vardaria: is een nieuw soort beschreven door Hasan Yildirim. Ze alleen bekend van een kleine populatie in het Kaçkar-gebergte in de provincie Rize in het noordoosten van Anotolia. Ze lijkt op de Chionodoxa en de Puschkinia, maar onderzoek heeft uitgewezen dat ze het meest lijkt op de Scilla bifolia. 

Scilla verna: is inheems aan de Atlantische kust van Europa en groeit op zeekliffen en op grasachtige plekken. Ze heeft 4-6 slappe, lijn/gootvormige bladeren en een tros van 6-12 klokvormige bloemen in helderblauw. Bloeit in maart-april.

Scilla nana Picture Fiona Dunbar

Overige cultivars: S. achtenii, S. Africana, S. albanica, S. alinihatiana, S. allenii, S. andria, S. antunesii, S. arenaria, S. arsusiana, S. begoniifolia, S. benguellensis, S. berthelotii, S. bussei, S. chlorantha, S. ciliate,  S. congesta, S. cydonia, S. dualaensis, S. engleri, S. flaccidula, S. gabunensis, S. gracillima,  S. hildebrandtii, S. huanica, S. jaegeri, S. katendensis, S. nana Picture Fiona DunbarS. kladnii, S. kurdistanica, S. lakusicii, S. latifolia, S. laxiflora, S. ledienii, S. leepii, S. lochiae, S. longistylosa, S. lucis, S. merinoi, S. mesopotamica, S. monanthos, S. nana, S. nivalis, S. oubangluensis, S. paui, S. petersii, S. platyphylla, S. pleiophylla, S. pneumonanthe, S. reuteri, S. sardensis, S. schweinfurthii, S. simiarum, S. sodalicia, S. subnivalis, S. tayloriana, S. textilis, S. uyuiensis, S. verdickii, S. villosa, S. vindobonensis, S. voethorum, S. welwitschii, S. werneri.

Hybriden:

Chionodoxa forbesii x Scilla bifolia wordt Chionoscilla allenii, ontdekt door de Amerikaanse botanist Robert Lee Allen. Sterhyacint x sneeuwroem wordt sneeuwster. Heeft helderblauwe bloemen. Ze is niet in de handel te krijgen, maar ontstaat spontaan waar ouders gezamenlijk groeien. 

Onderscheid Scilla, Chionodoxa en Puschkinia

Scilla:

De filamenten (helmdraden) omringen het vruchtbeginsel en spreiden naar buiten, de helmknoppen zijn gescheiden.

De bloemblaadjes zijn gescheiden en groeien van onder het vruchtbeginsel.

Scilla bifolia
Scilla siberica 'Spring Beauty'

Chionodoxa

De filamenten (helmdraden) staan dicht bij elkaar waardoor ze een centrale witte kegel vormen, waardoor de helmknoppen elkaar raken.

De bloemblaadjes zijn aan de basis verbonden en vormen een buis.

Chionodoxa
Chionodixa

Puschkinia

De kroon bestaat uit verbonden helmdraden die een duidelijke bloembuis vormen.

Puschkinia