BollenPraat

In BollenPraat gaan we in gesprek met professionals die actief zijn in de bloembollensector.

Kunst om te communiceren: Werner van den Belt, directeur Museum De Zwarte Tulp

Ik heb een mailwisseling met Werner van den Belt. Werner mag zich sinds augustus 2018 directeur/conservator van het cultuurhistorisch museum De Zwarte Tulp in Lisse noemen. Op mijn vraag of hij wil meewerken aan een (coronaproof) interview met Allesoverbloembollen, reageert Werner enthousiast met een ja.

Eerder werkte hij als conservator bij musea als het Van Gogh, Cobra en Coda en verschenen er publicaties van zijn hand over onder meer Karel Appel, Sjoerd Buisman en Armando.

Hoe ben je bij de Zwarte Tulp terechtgekomen terwijl je hiervoor de moderne kunst over het voetlicht bracht?

Volgens Van den Belt is kunst niet opzichzelfstaand. Kunst bestaat in diverse vormen en kwaliteiten maar voor hem heeft kunst vooral waarde als die communiceert. “Karel Appel en Armando maakten prachtige kunst, maar geen kunst die ruim maatschappelijk communiceert. In de moderne kunst heb ik alle dingen gedaan die ik wilde doen, maar hier ben ik voor het eerst eindverantwoordelijke bij het presenteren van kunst die verweven is met de handel en de kwekerij. De kunst hier gaat samen met maatschappelijk economische ontwikkelingen. Mijn rol hierin is nieuw voor mij en zeer uitdagend. Eerst was alles een grote brij die ik moest ontrafelen tot draden van logica.” Het werden verhaallijnen, gebaseerd op de drie-eenheid van handelaar, kweker en kunstenaar. Losstaande lijnen, maar lijnen die wel veel met elkaar te maken hebben.“ Toen ik begon was er een tentoonstelling van botanische tekeningen. Ambachtelijk gezien prachtige werken, maar ik had er niets mee. Totdat ik erachter kwam dat botanische tekeningen een onderdeel zijn van de bollencultuur. Een handelaar had de tekeningen laten maken door een kunstenaar om een tulpenboek te maken. Dit is kunst van hoog communicatieve waarde, begreep ik en daardoor zag ik de logica van de tentoonstelling. Alles wat ik zie en doe is nu gericht op het maken van verbindingen.”

Is het moeilijk de financiering van het museum rond te krijgen?

Werner van den Belt: “Los van de structurele financiële ondersteuning van 130 ondernemers uit de regio zijn de 80 vrijwilligers de basis en rijkdom van het museum. Ze zijn hard nodig en worden ingezet zoals ze dat zelf prettig vinden. Ze komen veelal uit de bloembollensector en vertellend over hun ervaringen, dragen zij de geschiedenis en cultuur van de sector op zeer levendige wijze uit. Ik adviseer bezoekers zo mogelijk drie rondleidingen te volgen om zo drie verschillende verhalen te horen die samen een uniek totaalbeeld geven.” Hij onderhoudt intensief overleg met de Provincie (Zuid-Holland) over diverse projecten en één daarvan is mobiel erfgoed, het conserveren van verhalen zodat die voor iedereen beschikbaar blijven. “Zo zoek ik altijd naar verbindingen. Ik geef je nog een voorbeeld. Mensen weten ons steeds beter te vinden hoewel we nauwelijks een marketingbudget hebben. Een tijdje geleden kwamen er twee mensen langs met een stapel tekeningen … of wij daar interesse in hadden… Het ware tientallen mappen met tekeningen van verpakkingen uit de jaren 20 en 30. Materiaal dat communiceerde en nog met flexibiliteit ook, gezien leeg gelaten ruimtes voor afbeeldingen van assortiment afgestemd op het afnemende land. Echt heel erg mooi. We konden direct al een tekening gebruiken in de tentoonstelling die nu loopt: Lita Cabellut. Een heel goed voorbeeld van verbinding tussen handel en kunst.” Er komen natuurlijk meer mensen met spullen, maar bollenmanden heeft het museum genoeg. “Afgesproken is niets meer aan te nemen waarvan we zeker weten dat het niet op zaal komt. Mijn voorganger heeft daar een mooie oplossing voor gevonden: in samenwerking met enkele verpleeghuizen zijn daar kasten neergezet met deze spullen waardoor ook een link is ontstaan met het verleden van de bewoners. Herinneringen worden hierdoor weer levend.” Voor volgend jaar bereidt Werner van den Belt een tentoonstelling voor over de bloembollenvelden. “Mochten er mensen zijn met oude foto’s of filmpjes, dan hou ik me aanbevolen.”

Hoe zit het met de bezoekersaantallen? Hebben jullie meer bezoekers als Keukenhof open is?

“Natuurlijk hebben we meer bezoekers in het Keukenhofseizoen, maar de tentoonstelling van Lita Cabellut trekt ook veel publiek. Ons publiek komt niet voort uit de georganiseerde tours die een bezoek aan Keukenhof nooit zullen combineren met het museum. Een meer voor de hand liggende combinatie is dan die met De Tulperij in Voorhout waar nog een oude bollenschuur in bedrijf is.”

Ons interview wordt onderbroken door een vrijwilliger die een boekje van de tentoonstelling van Lita Cabellut komt halen. Werner vraagt haar wat ze van de tentoonstelling vindt en vol enthousiasme vertelt ze hoe mooi ze de schilderijen vindt. Bij de opening van de tentoonstelling hield de directeur een lezing over kunst in coronatijden. Dat vond iedereen zo’n goed verhaal, dat hij er een boekje van heeft gemaakt. Alle vrijwilligers krijgen een exemplaar en bezoekers kunnen het kopen. “Het commerciële heb ik wel moeten leren. Ik heb altijd het gevoel dat ik mensen benadeel omdat je ergens geld voor vraagt, maar ik weet nu dat bezoekers graag iets willen kopen. Ik doe hun dus juist een plezier met het boekje.”

Hoe is de tentoonstelling van Lita Cabellut tot stand gekomen?

Lita Cabellut is 30 jaar geleden vanuit Spanje naar Nederland gekomen om aan de Gerrit Rietveld academie in Amsterdam te studeren. Na contact met het Binnenhof is haar de vraag gesteld de Nederlandse handelsgeest te schilderen. Als onderwerp koos ze de Gouden Eeuw en dan in het bijzonder de symboliek van de zwarte tulp. “Voor het museum is het een interessant thema omdat het een belangrijk onderdeel is van het verhaal van de bloembollencultuur”, aldus Van den Belt. Het feit dat Cabellut jurylid is bij het Project Rembrandt 2020 en bovendien op 6 november jl. werd uitgeroepen tot Kunstenaar van het jaar 2021 zal het museum geen windeieren leggen.

Wat vind je het leukste aan je werk?

“Het praten met mensen uit de bloembollensector, de vrijwilligers en de bezoekers. Per dag ben ik zeker een uur op zaal om te kijken, of ik mensen ergens mee van dienst kan zijn. Ik vind het contact belangrijk, vooral ook omdat ik zo direct feedback krijg. Het is heel waardevol om te zien hoe bezoekers reageren op de tentoonstelling. In de tentoonstelling van Lita Cabellut tonen we een prachtige documentaire van AVRO/TROS. Bezoekers zijn bijna 2 uur bij ons binnen en het gaat fantastisch, zeker gelet op de tijd waarin we leven”. (Opmerking: dit interview vond plaats voordat duidelijk werd dat ook musea dicht moesten.)

Wat doe je over 5 jaar?

“Dan werk ik hier niet meer. Ik vind dat iedereen na 7 jaar een andere baan zou moeten zoeken. Voor mij moet er uitdaging zitten in mijn werk en na 7 jaar bij de Zwarte Tulp heb ik vast wel alles van de sector voorbij zien komen. Wat je ook doet, zorg dat het goed gebeurt, dat je erachter staat, dat het integer is en dat je succes met elkaar deelt. Zodoende komen er dingen op je pad die je niet verwacht had.” Ik stel voor dat hij dan wel directeur van het Van Gogh museum kan worden. Hij antwoordt “die stap is te groot, maar ik zou het wel willen”.

Uiteraard krijg ik aansluitend op het interview nog een korte rondleiding door het museum en inderdaad de schilderijen van Lita Cabellut zijn enorm en prachtig.

Tulipa 'Queen of Night'


De tentoonstelling van Lita Cabellut is nog te zien tot en met 31 januari 2021 en het thema van de zwarte tulp valt prachtig samen met de naam van het museum en de vaste collectie. In de 19e eeuw hielden mensen veel van toepassing van donkere kleuren in interieur, kleding en tuinen. Kwekers probeerden daarom bloemen met een zwarte tekening en zo donker mogelijke kleurnuances te telen. Ook de bloembollenveredelaars deden daaraan mee. In 1891 bracht de Haarlemse kweker E.H. Krelage de eerste ‘zwarte’ tulp op de markt: La Tulipe Noire, genoemd naar de roman van Alexandre Dumas. De tulp was niet zwart maar dieppaars. Kwekers zijn nog steeds op zoek naar de zwarte tulp, maar verder dan donkerpaars zijn ze nog niet gekomen. De ‘Black Parrot’ uit 1937 en de ‘Queen of Night’ zijn het meest populair.


Meer Bollenpraat